
Ongeveer vier maanden geleden werd ik ziek.
Niet een beetje ziek, niet een paar dagen onder een dekentje met thee en een goed boek, maar echt ziek. Het was alsof mijn lichaam de stekker eruit had getrokken.
Zes weken kon ik mijn bed niet uit. Zelfs omdraaien zorgde ervoor dat ik buiten adem raakte. Mijn lichaam deed overal pijn. Dingen die altijd vanzelfsprekend waren, zoals opstaan, douchen, lopen en eten, werden ineens enorme opgaven.
Inmiddels gaat het weer wat beter. Heel langzaam krabbel ik op.
Maar tegelijkertijd wordt steeds duidelijker dat dit niet iets is wat ik zomaar achter me laat. Deze ziekte zal mijn leven waarschijnlijk blijvend beïnvloeden.
En dat vind ik moeilijk.
Soms kijk ik naar mijn oude leven en denk ik: kom ik daar ooit nog terug?
Ik kan niet voorspellen hoe mijn toekomst eruitziet. En dat is best benauwend.
Toch is er iets wat me in deze periode overeind houdt.
Iets waar ik de afgelopen twaalf jaar veel over heb geleerd, over heb geschreven en mee heb geoefend. Maar waarvan ik juist nu, meer dan ooit, begrijp waarom het zo belangrijk is:
Je hoeft niet te wachten tot je omstandigheden beter zijn voordat je je beter mag voelen.
Dat klinkt misschien simpel. Maar wanneer je middenin een moeilijke situatie zit, is het allesbehalve gemakkelijk. We zijn zo gewend om ons gevoel afhankelijk te maken van wat er buiten ons gebeurt, dat geluk de neiging heeft ons te ontglippen als er iets naars op ons pad komt.
Als ik gezond ben, kan ik me weer goed voelen.
Als mijn leven wordt zoals vroeger, kan ik weer gelukkig zijn.
Als mijn lichaam me niet meer in de steek laat, heeft het allemaal weer zin.
Maar wat als dat moment niet komt?
Wat als je moet leren leven met iets wat je liever niet had gekregen?
Dan wordt het misschien wel belangrijker dan ooit om te ontdekken hoe je, ondanks alles, toch gelukkig kunt zijn.
Dat betekent niet dat ik deze ziekte leuk vind. Het betekent niet dat ik niet verdrietig ben, bang ben of soms ontzettend baal. En het betekent al helemaal niet dat ik mezelf ervan overtuig dat alles wel meevalt.
Maar ik hoef ook niet in mijn emoties te blijven wonen.
Ik kan erkennen dat iets ontzettend moeilijk is en tegelijkertijd aandacht geven aan wat wél fijn is. Die twee dingen kunnen naast elkaar bestaan.
Ik kan verdriet hebben om mijn lichaam én dankbaar zijn voor de mensen om me heen.
Ik kan onzeker zijn over de toekomst én genieten van een mooie ochtend.
Ik kan verlangen naar mijn oude leven en tegelijkertijd houden van mijn leven zoals het vandaag is.
Het hoeft niet óf het een, óf het ander te zijn.
Misschien is dat wel wat ik in deze periode opnieuw leer:
We hoeven een goed gevoel niet uit te stellen.
We hoeven niet eerst alle problemen op te lossen. We hoeven niet eerst gezond, succesvol, rijk, uitgerust, slank, geliefd of helemaal tevreden te zijn.
We mogen vandaag al aandacht geven aan wat goed voelt.
Een kop thee. De zon op je gezicht. Een gesprek met iemand die jou begrijpt. Een lach. Een boek. Een vogel in de tuin. Een dag waarop je net iets meer kunt dan vorige week.
Dat zijn geen kleine dingen.
Dat is het leven.
Natuurlijk mag je ondertussen onderzoeken wat beter kan. Je mag grenzen stellen, keuzes maken, dingen veranderen en alles doen wat binnen jouw mogelijkheden ligt om je situatie te verbeteren.
Maar je hoeft je leven daar niet voor stil te zetten. Je kunt het allebei doen.
Je kunt zoeken naar oplossingen én genieten van vandaag.
Je kunt verdriet hebben én dankbaar zijn.
Je kunt hopen dat het beter wordt én nu al iets moois ervaren.
Misschien is dat uiteindelijk wel het belangrijkste wat ik mezelf in deze periode probeer te herinneren.
Een waardevol en fijn leven begint niet pas wanneer alles is opgelost.
Het begint nu.
