
Ongeveer vier maanden geleden werd ik ziek.
Niet een beetje ziek, niet een paar dagen onder een dekentje met thee en een goed boek, maar echt ziek. Het was alsof mijn lichaam de stekker eruit had getrokken.
Zes weken kon ik mijn bed niet uit. Zelfs omdraaien zorgde ervoor dat ik buiten adem raakte. Mijn lichaam deed overal pijn. Dingen die altijd vanzelfsprekend waren, zoals opstaan, douchen, lopen en eten, werden ineens enorme opgaven.
Inmiddels gaat het weer wat beter. Heel langzaam krabbel ik op.
Maar tegelijkertijd wordt steeds duidelijker dat dit niet iets is wat ik zomaar achter me laat. Deze ziekte zal mijn leven waarschijnlijk blijvend beïnvloeden.
En dat vind ik moeilijk.
Soms kijk ik naar mijn oude leven en denk ik: kom ik daar ooit nog terug?
Ik kan niet voorspellen hoe mijn toekomst eruitziet. En dat is best benauwend.
Toch is er iets wat me in deze periode overeind houdt.
Iets waar ik de afgelopen twaalf jaar veel over heb geleerd, over heb geschreven en mee heb geoefend. Maar waarvan ik juist nu, meer dan ooit, begrijp waarom het zo belangrijk is:
