Dood en leven

Het ziekenhuis roept herinneringen bij me op: aan nieuw leven, maar ook aan de dood.

En als ik ergens intens aan denk, dan is de kans groot dat ik daarover ‘moet’ schrijven. Vannacht ontstond dit korte verhaal over de dood:

Op eerste kerstdag werd hij wakker naast zijn vrouw. Haar lijf, leerachtig gerimpeld na een samenzijn van een halve eeuw, lag verstard aan haar kant van het bed, de nachtpon kreukvrij uitgestreken langs haar benen. Kennelijk lag hij al de hele nacht naast haar levenloze omhulsel.

Hij streelde haar wang, kuste haar voorhoofd en stond met een zucht op uit het bed. In de keuken maalde hij koffiebonen en kookte water. De bladeren van de kerstster lagen verloren verspreid over de pollen van het tafelkleed. Hij dronk zijn koffie, te heet, en liet zijn gedachten naar de vorige avond afdwalen. Een avond als zovele andere. Hutspot met verse worst, later op de avond een glas rode wijn. Om tien uur de lamp uit en een laatste vluchtige kus. Hij was er nog uitgegaan om de verwarming lager te zetten, een half uur nadat het licht uit was. Zou ze toen al? Zijn stramme lijf, zijn blote voeten op het koude zeil, hij had geen acht op haar geslagen. Haar aanwezigheid een vanzelfsprekendheid.

Hij zuchtte nogmaals en liep terug naar de kamer waar zij lag. Uit de kast pakte hij zijn ribbroek en overhemd. De bretels hingen over de stoel waar hij ze de vorige avond had achtergelaten. Een tijdlang durfde hij niet naar haar te kijken, ondertussen vurig hopend dat alles zich vanzelf op zou lossen. Toen draaide hij zich langzaam om en bekeek haar aandachtig. De kleur onmiskenbaar grauw en doods. De trek om haar mond, stiller dan in een gewone slaap. Hij streelde haar haren, voorzichtig om de koude huid niet te voelen.
‘Kop thee, lief?’, fluisterde hij in gedachten.

De chaos in zijn hoofd ontkiemde. Wie moest hij bellen? De politie, was zijn eerste gedachte, een ambulance. Nee, een lijkwagen natuurlijk. De begrafenisondernemer die onlangs nog bij hen aan de deur was geweest om een verzekering te slijten. Joep heette die man, ja die kon hij bellen.

Joep kwam en stelde vragen, de vele vragen die nabestaanden in de mist van het verlies beantwoorden. Nee, overleggen met de kinderen was niet nodig, kinderen waren er nooit geweest. Hij koos een kist, een tekst voor de rouwkaart en al die tijd lag zij nog gewoon in bed. Was dat de gebruikelijke gang van zaken? Hij wilde Joep niet schofferen, maar werd onrustig bij het idee dat men zou vergeten haar lichaam mee te nemen. Alles geregeld, een waardig afscheid zonder lijk. En zij, nog maanden naast hem in bed als herinnering aan het leven samen.

Het afscheid was sober. Klein. Hij sprak een paar woorden tegen het handjevol aanwezigen. Over haar, tegen haar, terwijl hij in alles voelde dat ze weg was. Een farce, dacht hij. Een leven onwaardig, zo’n toneelspel, omdat niets zou voldoen als afscheid. Hoe kon hij ook, zijn maatje, zijn vervulling. Ze hadden elkaar gehad, meer niet. En dat was genoeg, altijd geweest.

De weken erna bestonden zijn dagen uit niks. Ja, uit bed komen, uiteindelijk. Soms aankleden en naar de supermarkt. Op zondag naar de kerk, terwijl ze dat samen al minstens vijf jaar niet meer deden. De tocht naar het centrum kostte haar nou eenmaal teveel; een auto hadden ze al lang niet meer.

Op woensdag streek hij zijn overhemden. Drie weken na de begrafenis kwam de buurvrouw aan de deur, omdat ze dacht dat hijzelf misschien ook het loodje had gelegd. Een vriendin van haar was op zoek naar een bejaardenwoning, vandaar.

Hij sliep veel, keek wat tv zonder te zien wat er op was. Dacht aan haar, maar was niet in staat concrete beelden op te roepen. Het gemis was onwerkelijk, alsof ze tijdelijk op vakantie was. Hun leven samen was verworden tot een waas, niets leek echt gebeurd. Het was alsof hij niet meer wist wie ze was geweest. Haar stem verdween, haar lach kon hij zich niet meer herinneren ook al concentreerde hij zich nog zo hard. Hij wist nog dat ze haar witgrijze lokken vaak uit haar ogen veegde met haar kromme vingers. Hij wist het, maar zag het niet langer voor zich. Wie was ze geweest? Wie waren zij samen?

Na drie maanden werd hij wakker met een rusteloos gevoel. Hij opende het raam en rook de belofte van de lente. Hij stond op en kleedde zich aan. In de spiegel zag hij een verwaarloosde, vermagerde man van begin tachtig. Pluizige pieken bij zijn slapen en in zijn nek. Na een keer diep adem te hebben gehaald, belde hij de kapper en maakte een afspraak. Te voet zou hij gaan. Bewegen, naar buiten. Zijn rug kromde licht voorover, zijn vingers kregen de knopen van zijn houtje-touwtjejas niet dicht.

Het ging moeizaam, een oud lijf dat tijdenlang slechts in een leunstoel had gezeten. Zijn gewrichten kraakten en piepten. De eerste meters had hij genoeg aan zichzelf, concentratie was vereist om de ene voet voor de andere te zetten zonder te blijven haken achter de rand van een stoeptegel. Hij was bang. Een oude stramme man alleen van huis.

De kapperszaak lag aan de andere kant van het dorp, maar al halverwege werkte zijn lijf wat beter mee. De stramheid verdween en daarmee ook de mist in zijn hoofd. Hij nam een flinke teug lucht en blikte over de straat naar de huizen aan de overkant. Rolluiken naar beneden, zonneschermen omlaag, gordijnen gesloten. Alles om de nieuwe voorjaarszon uit de woonkamers te weren.

En plotseling werd hij zich gewaar van die zon, die nu op de zijkant van zijn gezicht scheen. Hij stopte met lopen, draaide zich een kwartslag, stak zijn kin in de lucht en sloot zijn ogen. De warmte bracht een vreugde in zijn hart die hij sinds kerstavond niet meer had gevoeld.

Hij was er nog, dat viel hem in. Hij was er nog. Niet meer samen met haar, niet meer als vanzelfsprekend, maar hij voelde hoe echt zijn bestaan was op deze wonderlijke planeet. Zijn voeten weer vrij stevig op de grond, zijn huid in staat om warmte op te vangen.

Een glimlach verscheen op zijn gezicht, gevolgd door de tranen die hij al die tijd bij zich had gedragen. Het verdriet was heerlijk, een opluchting, alsof hij de bedompte eenzaamheid van zich afschudde en de dood even recht in de ogen keek.
‘Ik mis je’, fluisterde hij met zijn ogen nog altijd gesloten, ‘jij bent mijn zon.’

Toen draaide hij zich weg van het licht, droogde onbeholpen zijn wangen en keek om zich heen of iemand hem had gezien. Het was stil op straat, nog steeds. Maar zijn tred was lichter, alsof hij plots weer ergens op af stapte, ergens naartoe ging in plaats van iets achterliet.

gratis e-book

 

2 gedachten over “Dood en leven”

  1. Een triest verhaal en prachtig beschreven.
    Wij, lia en ik , zijn 51 jaar getrouwd.
    lia heeft 3 ongeneeslijke ziektes COPD fase 4, plus een totaal spraakgebrek door een herseninfarct en dan nog Altzheimer.
    Elke dag of nacht kijk ik naar haar en beleef ik uw verhaal in gedachten.
    Met onze kinderen is er een breuk.
    De dag dat zij sterft stap ik ook uit of een van de dagen daarna.
    Met hartelijke groet, Wim.

    1. Beste Wim,

      Daar word ik stil van.
      Als je al zolang samen bent en er ontstaat dan ongewild op deze manier zo’n afstand waar je dagelijks mee geconfronteerd wordt… dat is onmenselijk.
      Ik wens jullie veel sterkte.

      Yvonne

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *